* “God zegene de Hongaren”

Treinen vol ontheemde Hongaren kwamen zestig jaar geleden aan op Utrecht Centraal. Op de vlucht voor het Sovjet-leger dat een bloedig eind maakte aan de Hongaarse opstand. In de tweede trein zat de nu 76-jarige Dzsingisz Gabor, die in 1990 de eerste bewindspersoon zou worden, die met een niet-Nederlandse nationaliteit werd geboren. “De mogelijkheden die ik hier kreeg, waren er in Hongarije niet.”

door Sophie Kluivers

Mist. Het was het eerste Nederlandse woord dat de destijds 16-jarige Dzsingisz Gabor tijdens de urenlange treinreis naar zijn nieuwe thuisland leerde. Het zicht van de jonge Hongaarse vluchteling op de onbekende voorbijtrekkende landschappen van Oostenrijk, Duitsland en Nederland werd die novemberdag in 1956 regelmatig vervaagd door nevel.

Het was door de verhalen van zijn lerares op de school in het mijnstadje Komlo dat Gabor, samen met zijn moeder, zus en haar dochters, voor de trein naar Nederland koos. Juf Csilag – in het Nederlands ‘ster’ – had verteld over dat landje met kanalen, waar je je fiets zonder slot kon achterlaten zonder dat hij werd gestolen, waar mensen in vrijheid leefden en tegelijkertijd gemeenschapszin heerste.

De jonge lerares werd door de communisten gezien als klassenvijand. Ze was vanuit Boedapest te werk gesteld op het platteland, woonde in een varkensschuur bij een boerenfamilie en het werd haar verboden om les te geven. Maar omdat er in Komlo een lerarentekort was, kon ze daar toch nog aan de slag. “Iedere les aardrijkskunde en geschiedenis, in totaal vier uur, begon ze met minimaal tien minuten te vertellen over Nederland. Csilag bracht er als kind, na de Eerste Wereldoorlog, twee jaar door om aan te sterken.” Het kikkerlandje had haar betoverd.

Had hij geen les gehad van de jonge vrouw, die bij hem eenzelfde fascinatie voor ons land aangewakkerde, dan had Gabor waarschijnlijk gekozen voor Amerika. Dan had hij nu niet met zijn vrouw Carla in de voormalige graansilo in Almere gewoond, was hij niet burgemeester van Haaksbergen geweest, nooit staatssecretaris voor het CDA geworden en niet de huidige voorzitter van Vluchtelingen Organisaties Nederland. “Dan had ik nu misschien wel achter Trump aangelopen”, grapt hij.

Hoewel het morgen precies zestig jaar geleden is dat de Hongaarse opstand uitbrak, gericht tegen het stalinistische regeringsbewind, staat de periode Gabor nog helder voor de geest. In de woonkamer met uitzicht op de Hoge Vaart, waar vroeger de schepen aanmeerden om graan in te laden, haalt hij herinneringen op.

Hij vertelt dat hij als telg uit een in de ogen van de communisten ‘fout’ gezin op veel scholen niet welkom was. Dat hij bijna 300 kilometer uitweek naar het stadje Komlo, waar zijn achtergrond niet bekend was. Hoe hij met klasgenoten de regeringsgezinde school bestormde en de rode ster van het gebouw verwijderde. Hoe hij meeliep in een demonstratie. “Niet vooraan. Dat verbood mijn moeder.” Een militair die wel voorop liep werd neergeschoten. In de aanloop naar 23 oktober groeide de onrust en keerde Gabor terug naar zijn woonplaats Sopron.

Overigens spreekt hij liever over een vrijheidsstrijd.  “Met het woord opstand legitimeer je naar mijn mening de macht waartegen de ‘opstandige mensen’ zich verzetten.”

Op 4 november 1956 – vader en zoon verlieten net de kerk – schalde door een luidspreker op het kerkplein de mededeling dat het Rode leger met grof geweld Hongarije was binnengevallen. “Nu komt er een enorme clash”, zei zijn vader. “Gewelddadige militaire handelingen, waar ik jullie niet bij wil hebben. Jullie moeten weg.”

Gabor pakte een koffertje met sokken, ondergoed, een extra paar schoenen en wat zeep. Moeder had een pak suiker en etenswaren mee. In een van de vrachtwagens die klaarstonden, konden ze vanuit het grensstadje Sopron eenvoudig Oostenrijks grondgebied bereiken. “Al om half twee ’s middags arriveerden we in het vluchtelingenkamp.”

Vader bleef achter. Hij was enorm betrokken bij het verzet. “Mijn vader zat veelal als politieke gevangene in de gevangenis. Hij publiceerde maatschappijkritische werken.” Tegen zijn vrouw en kinderen zei hij: “Als we gewonnen hebben, komen jullie heel snel terug.” Ze wisten toen nog niet dat vader voor jaren in de gevangenis zou verdwijnen om een pamflet dat hij schreef. En dat Nederland voor de rest van het gezin een nieuw thuis zou worden.

In de kazerne in Oostenrijk kon de familie uit vijf landen kiezen die ‘onvolledige gezinnen’ accepteerden. De trein naar Nederland vertrok al een paar dagen later.

Op Utrecht Centraal stonden belangstellenden die de vluchtelingen welkom heetten. De kranten van die tijd spreken over een ‘juichend onthaal’. “Of dat echt zo was, weet ik niet meer.  Maar de mensen waren buitengewoon vriendelijk.”

In de grote hal van de Jaarbeurs stonden rijen met stapelbedden opgesteld. “We luisterden naar een toespraak van koningin Juliana via een luidspreker.  Ze sloot haar speech af met de eerste zin van het Hongaarse volkslied. ‘God zegene de Hongaren.’ Dat maakt grote indruk.”

Zijn moeder, zus en nichtjes werden ondergebracht bij een gezin in Nijmegen. Gabor meldde zich bij de jezuïeten van het Cansius College, een katholiek jongensinternaat.

“Dat is mijn geluk geweest”, blikt Gabor terug. “Ik had daar veel leraren die hun best deden om me van alles te laten leren. Ook mijn medestudenten waren enorm betrokken. De Hongaarse opstand leefde heel sterk in Nederland. Het riep bij veel Nederlanders herinneringen op aan de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog.”

De 3000 Hongaren die uiteindelijk werden opgevangen, integreerden vrijwel allemaal succesvol in de Nederlandse samenleving. “De wijze waarop we in Nederland werden opgevangen, maakte dat we al onze talenten konden benutten. Niet alleen de intellectuelen die uiteindelijk hoogleraar of rechter werden, ook mensen met andere beroepen werden buitengewoon succesvol. Ik denk dat veel van ons het in Hongarije nooit zo ver hadden geschopt. Hier kregen we de kansen.”

Het land was precies zoals uit de verhalen van zijn lerares. “Het klopte één op één”, zegt Gabor. “De omgang van de mensen onderling. De mogelijkheden die hier waren. En ook het verhaal van de fietsen was waar.”

Pas op 16 juni 1958 besloot Gabor dat hij definitief in Nederland wilde blijven. Het was de dag dat verzetspremier Imre Nagy werd opgehangen. “Ik vond hem een held. Hoe hij zich verzette tegen het onderdrukkende dictatoriale systeem. Nog steeds raakt het me diep”, zegt hij zichtbaar aangedaan. “Executies zijn zo inhumaan.” Die gebeurtenis maakte dat hij niet meer terugverlangde naar Hongarije. Ik draaide de bladzijde om en stortte me op het studeren. Op het leren van talen. Op mijn examens doen. Keihard werken.”

Zijn ouders communiceerden de halve eeuw die volgde via brieven. Hun samenzijn werd opgeofferd voor de kinderen. “Zo gingen zij met hun verantwoordelijkheden om. Mijn vader bleef daar, ook na zijn vrijlating. Hij wilde de communisten geen plezier doen door weg te gaan. Zo voelde dat echt voor hem. Hij was ervan overtuigd dat het systeem uiteindelijk in elkaar zou storten. Helaas heeft hij dat niet meegemaakt.” Mijn moeder werd verantwoordelijk voor het gezin. Dat heeft ze geweldig gedaan. Ze wilde niet terug. Ze zou mijn vader niet nog een keer kunnen achterlaten. En hij had absoluut geen middelen van bestaan om haar te onderhouden.”

Lerares Csilag zag hij nog één keer. Gabor was staatssecretaris en te gast in een radioprogramma waarin hij de muziek mocht uitkiezen. Als afsluitend stuk koos hij voor de opera Bánk Bán. Gabor vertelde over vrijheid, het thema van de opera en altijd een onderwerp in het gezin Gabor. Naderhand kreeg een telefoontje van de dochter van Csilag, die inmiddels in Groningen woonde en zijn verhaal herkende. “Ze vroeg me, als ik nog een naar Hongarije zou gaan, om haar moeder op te zoeken.”

Het was begin jaren negentig en Csilag was inmiddels eind tachtig. Ze werd in de Hongaarse woning van haar dochter in een rolstoel de woonkamer ingereden. In perfect Nederlands begroette ze Gabors vrouw. “Wat ben ik verheugd dat ik kennis kan maken met Dzsingisz echtgenote”, sprak ze deftig.

Gabor zal de vrouw nooit vergeten. “Ze is zo bepalend geweest voor mijn leven. Ik heb veel aan haar te danken. Als ik haar niet had leren kennen, haar lessen niet had gevolgd, dan had ik nooit zo naar Nederland verlangd.”

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.