* Met een bloedend hart verliet ik Hongarije.

Dzingisz Gabor: 

“Met een bloedend hart verliet ik Hongarije. Ik wilde niet weg. Ik was zestien jaar en vastberaden om het tegen de Russen op te nemen, net zoals mijn vader. Maar die vermoedde al dat het conflict niet goed zou aflopen en stuurde ons, zijn vrouw en twee kinderen, de grens over. Mijn vader bleef alleen achter in Hongarije, vastbesloten om tot zijn dood verzet te bieden tegen de communisten.

De trein naar Nederland volgde de uitgestrekte Rijn. Ik keek naar buiten en dacht dat ik Hongaarse schepen zag liggen op het water. De kleuren van de Nederlandse vlaggen waren niet goed zichtbaar door de laaghangende mistnevel. ‘Mist’ was dan ook het eerste Nederlandse woordje dat ik die dag leerde.

Ondanks alles keek ik uit naar Nederland, al lang voordat ik als jonge vluchteling hier voet aan de grond zette. Samen met duizenden andere Hongaarse kinderen na de Eerste Wereldoorlog, kwam mijn lerares Aardrijkskunde als klein meisje naar Nederland om aan te sterken. Een edelmoedig gebaar van de Nederlandse overheid. Tijdens haar lessen sprak zij altijd over dat kleine landje aan zee, en haar verhalen vertelden over een land waar veel vrijheid heerste, waar mensen voor elkaar opkwamen en waar je zonder enig risico je fiets op straat kon achterlaten.

Ook tijdens onze aankomst in Nederland, was het medeleven met de Hongaarse vluchtelingen onbeschrijfelijk groot. In de hal van de Jaarbeurs, die vol stond met stapelbedden, luisterde ik naar de toespraak van koningin Juliana op de radio. ‘Zegen de Hongaren’, sprak ze in het Hongaars en die woorden maakten diepe indruk. Het conflict was, na de Tweede Wereldoorlog, de eerste confrontatie met een militaire macht in Europa. Overal in Nederland vormden zich kerkelijke en lokale comités die zich ervan wilde verzekeren dat het goed zou gaan met de vluchtelingen.

Die nationale behulpzaamheid kwam ook tot uiting in de wijze van opvang. Alle vluchtelingen werden tijdelijk bij Nederlandse gastgezinnen ondergebracht en deze manier van vluchtelingenopvang stimuleerde de integratie enorm. Ook nu zouden vluchtelingen direct in de samenleving moeten worden opgenomen. De huidige opvangcentra, waarin mensen vaak maanden en jaren tussen hoop en vrees leven, werken contraproductief; veel mensen verpieteren en komen vreselijk met zichzelf in de knoop.

Ik vind het belangrijk dat er onderscheid wordt gemaakt tussen vluchtelingen en migranten. In het huidige vluchtelingenbeleid raken deze twee verschillende werelden helaas met elkaar vermengd. Het zou sneller duidelijk moeten zijn wie uit levensnood van huis en haard verdreven is, en wie vanuit een uitzichtloze positie snakt naar een beter leven. Het wordt me soms kwalijk genomen dat ik dit verschil aanbreng, maar ik vind dat de vermenging van deze doelgroepen het vluchtelingenbeleid ondermijnt en de publieke opinie over vluchtelingen negatief beïnvloedt.

Desalniettemin ben ik hoopvol gestemd. Net als tijdens mijn vlucht in de jaren vijftig, zie ik nog steeds veel organisaties en burgergroepen zich inzetten voor vluchtelingen. Vrijwilligers die asielzoekers in de opvangcentra bezoeken, bedrijven die zich openstellen voor vluchtelingen. De betrokkenheid en ondersteuning in de Nederlandse samenleving is nog altijd erg groot. Deze beweging is, daar ben ik van overtuigd, veel groter dan de vervelende uitwassen die af en toe voorbij komen in de media.”

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.